De verbinding
Elk apparaat meldt zich periodiek. Wegblijven moet volgens EN 54-25 binnen 300 seconden zijn opgemerkt en binnen 100 seconden daarna gemeld. Er is geen situatie waarin een melder ongemerkt weg is.
Onderdeel van de MegaSnel-groepVEB-erkend beveiligingsbedrijf
Direct iemand spreken? 036 52 98 447
Een brandmeldinstallatie zonder kabels tussen de melders. Volgens dezelfde norm, met dezelfde inspectie, maar zonder dat er een muur open hoeft.
NEN 2535 NEN 2575-4 EN 54-25 Bbl
Een brandmeldinstallatie waarbij de melders, handbrandmelders en sirenes via een bewaakte radioverbinding met de centrale praten in plaats van via een kabel. De installatie moet aan dezelfde eisen voldoen als een bekabelde en wordt op dezelfde manier geïnspecteerd. Het verschil zit in de aanleg, niet in het beschermingsniveau.
Dat laatste is precies waar de meeste misverstanden zitten. Draadloos klinkt als een lichtere variant, als iets voor thuis. Dat is het niet. Het gaat om apparatuur die volgens de Europese brandnorm is beproefd en gecertificeerd, en om een installatie die door een onafhankelijke inspecteur wordt goedgekeurd of afgekeurd, net als elke andere.
Ja. Het Besluit bouwwerken leefomgeving verwijst naar NEN 2535 en zegt niets over kabels. Het CCV-inspectieschema waarop het certificaat rust, heeft sinds 2023 een eigen inspectiepunt voor draadloze communicatie tussen componenten. En de radioverbinding zelf is genormeerd in EN 54-25, de Europese norm waaraan elk draadloos onderdeel wordt beproefd.
Er zijn dus drie onafhankelijke plekken in de regelgeving waar draadloos gewoon meedoet. De norm noemt draadloos bij naam en toetst het.
| Bron | Wat er staat | Betekenis |
|---|---|---|
| Bbl | Verwijst naar “een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535” | Het woord kabel komt er niet in voor |
| CCV 7.6.4.50 | Inspectiepunt “draadloze communicatie tussen componenten”, met eigen goedkeuringscriterium | De inspecteur toetst niet óf het mag, maar hoe het is uitgevoerd |
| NEN 2575-4 | Een deel over draadloze stilalarminstallaties, met draagbare ontvangers voor personeel | Dat gaat over stilalarm, niet over sirenes. Voor de radioverbinding van melders en sirenes is EN 54-25 de norm |
| EN 54-25 | Europese eisen aan componenten met een radioverbinding | De apparatuur zelf is hierop beproefd en gecertificeerd |
Omdat het bij losse onderdelen wel degelijk kan wringen. Dat een systeem draadloos mag, betekent niet dat elk apparaat dat u erbij kunt kopen ook een brandcertificaat heeft. Bij dezelfde productlijn zitten bijvoorbeeld gekleurde drukknoppen die er als handbrandmelder uitzien maar het niet zijn, en er zijn hulpapparaten met “EN 54” in de naam die zelf geen EN 54-certificaat dragen.
Dat is geen detail. Een inspecteur kijkt niet naar het systeem als geheel maar naar wat er hangt. Daarom kijken wij per apparaat na wát er precies is gecertificeerd, en waarvoor, en tonen wij dat in het opleverdossier. Als iets niet als brandmeldcomponent mag meetellen, hangen we het er niet als zodanig in, hoe goed het ding verder ook is.
Doordat elk apparaat zich met vaste tussenpozen bij de centrale meldt. Blijft een apparaat weg, dan moet dat volgens EN 54-25 binnen 300 seconden zijn opgemerkt en binnen 100 seconden daarna zijn gemeld. Een bekabelde installatie bewaakt de lus; een draadloze bewaakt elk apparaat afzonderlijk.
Dat is een wezenlijk verschil met wat mensen zich bij “draadloos” voorstellen. Een draadloze melder is geen apparaat dat stilletjes kan uitvallen. Hij moet zich blijven melden, en als hij dat niet doet, is dat zelf een storingsmelding op de centrale, met vermelding van wélk apparaat het betreft.
Elk apparaat meldt zich periodiek. Wegblijven moet volgens EN 54-25 binnen 300 seconden zijn opgemerkt en binnen 100 seconden daarna gemeld. Er is geen situatie waarin een melder ongemerkt weg is.
De norm eist minimaal drie jaar autonomie met een marge daarbovenop. Raakt een batterij uitgeput, dan volgt binnen een uur een storingsmelding en is er daarna nog een half uur alarmreserve.
Batterijen worden meegenomen bij het periodieke onderhoud. Dat onderhoud is verplicht, niet volgens een voorgeschreven norm, maar als zorgplicht. NEN 2654-1 is de gangbare invulling en die volgen wij.
Een handbrandmelder om zelf alarm te slaan, melders die rook of warmte zien, sirenes met flitser om te ontruimen, een module om deuren en installaties aan te sturen, en de centrale die alles bewaakt.
Welke apparaten u nodig heeft en waar ze komen te hangen, volgt uit het Programma van Eisen, niet uit een pakket. Wij stellen dat op, en pas daarna weten we wat er precies komt.
Dit stuk staat er niet voor de vorm. Er zijn situaties waarin wij zelf zeggen dat u beter bekabeld kunt gaan, en het is beter dat u dat hier leest dan van een inspecteur.
| Situatie | Waarom het niet past | Wat dan wel |
|---|---|---|
| Er moet een gesproken ontruimingsbericht klinken | Voor gesproken woord is een bekabelde centrale met luidsprekerlijnen nodig. Draadloos kan dat niet. | Bekabeld, of een draadloos toonsignaal als dat volstaat |
| Er is een reëel risico op bewuste radiostoring | De brandnorm eist geen bescherming tegen opzettelijk storen. Dat sluit zij uitdrukkelijk uit. | Bekabeld, of een aanvullende maatregel buiten de brandmeldinstallatie om |
| Er ligt al een gezonde bekabelde lus | Een installatie die het doet en nog jaren meekan, vervangt u niet om het principe. | Onderhouden wat er ligt, en pas vervangen als het nodig is |
| Het gebouw is nieuw en nog casco | Als de wanden toch nog open zijn, vervalt het grootste voordeel van draadloos. | Rekenen wat in dat geval het gunstigst is. Wij zeggen eerlijk wat eruit komt |
U leest weleens dat draadloze systemen zichzelf herstellen doordat versterkers elkaar overnemen. Dat klopt niet, en wij beweren het dus niet. Een versterker vergroot het bereik vanaf de centrale, maar geeft niet door aan een andere versterker. Dat betekent dat een goed ontwerp hier belangrijker is dan bij bekabeld: wij meten ter plaatse hoe het signaal zich in úw gebouw gedraagt, en dat meetresultaat hoort bij het opleverdossier.
Het infrezen van leidingen in historisch muurwerk is vergunningplichtig, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed adviseert het doorboren van balken en muren te vermijden. Nederland telt ruim 63.000 rijksmonumenten. Bij een draadloze installatie is die hele discussie er niet.
Tussen 2010 en 2020 werden zeker 430 kerken en kloosters door brand getroffen, waarvan 38 zeer verwoestend. Detectie hoort ook in de kap thuis, en juist daar krijgt u geen kabel, of alleen met een steiger en zichtbare goten.
Een schoolvakantie is kort. Zonder stucadoor en schilder achteraan past een installatie in een korte vakantie in plaats van dat u op de zomer moet wachten.
Boren in een pand waar asbest kan zitten, is een handeling waarvoor eerst onderzoek nodig is. De Arbeidsinspectie noemt het doorboren zelf als zo’n handeling. Niet boren scheelt dat onderzoek, die kosten en dat risico.
Een hotel dat verhuurt, een zorgafdeling die doordraait, een kantoor waar gewerkt wordt. Geen stof, geen afgezette gangen, geen weken bouwoverlast op de plek waar mensen zijn.
Blijkt bij een verbouwing of een controle dat er alsnog een installatie moet komen? Dan telt hoe snel het kan en hoeveel het uw gebouw kost, niet hoe het ooit bedacht was.
Een misverstand dat wij vaak tegenkomen: dat draadloos alleen zou kunnen mélden. Dat klopt niet. Dezelfde installatie kan ook branddeuren loslaten, vluchtdeuren ontgrendelen en liften naar beneden sturen, en hij kan doormelden naar een meldkamer. Wat er in uw geval moet gebeuren, komt uit het Programma van Eisen.
Waar draadloos wél een eigen regime houdt is noodverlichting en vluchtwegaanduiding: dat staat los van de brandmeldinstallatie en wordt apart beoordeeld. En na oplevering geldt voor draadloos precies dezelfde onderhouds- en keuringsplicht als voor bekabeld. Daar zit geen enkel verschil.
Dat hangt volledig af van uw gebouw en is niet te zeggen zonder te meten. Fabrikanten noemen bereiken die in een open veld zijn gemeten; in een pand met dikke muren, staal of natuursteen zegt dat getal niets. Daarom meten wij het ter plaatse voordat we een ontwerp maken, en leveren wij het meetresultaat mee met het dossier. Als het niet haalbaar is, hoort u dat van ons.
Nee. Een draadloze brandmeldinstallatie hangt vast en blijft hangen; een mobiele of tijdelijke installatie overbrugt een periode, bijvoorbeeld tijdens een verbouwing of na een afkeuring. Omdat het om dezelfde techniek kan gaan, blijft een tijdelijke installatie soms gewoon hangen als de definitieve. Wanneer tijdelijke brandbewaking past en wie daarover beslist, leest u apart.
Ja. Er bestaat geen apart, lichter certificaat voor draadloos. Dezelfde inspectie-instelling, hetzelfde schema, dezelfde eisen, met daarin een extra inspectiepunt dat specifiek over de draadloze verbindingen gaat. Wij zorgen dat installatie en dossier zo zijn dat de inspecteur er niets op aan te merken heeft.
De norm eist minimaal drie jaar autonomie, en in de praktijk gaan batterijen langer mee. Ze worden meegenomen in het periodieke onderhoud, dus u hoeft er zelf niets voor te doen of bij te houden. Raakt er onverhoopt eerder een leeg, dan meldt de centrale dat als storing met vermelding van welk apparaat het is.
Dat is een van de sterkste punten. Een extra melder toevoegen betekent bij draadloos het apparaat aanmelden en ophangen: geen nieuwe kabel, geen sleuf, geen herstelwerk. Verbouwt u later, of verandert de indeling, dan verhuist een melder mee zonder dat het gebouw eraan te pas komt.
Ja. Dat is een veelvoorkomende situatie: een centrale die niet meer leverbaar is, of een installatie die is afgekeurd. Wij kijken eerst wat er precies aan de hand is. Soms is overzetten naar draadloos de logische stap, soms volstaat herstel van wat er ligt, en dat kan uw huidige installateur doen. U krijgt van ons het antwoord dat klopt, niet het antwoord dat ons het beste uitkomt.
Vertel ons om wat voor pand het gaat. Is draadloos hier niet de beste keuze, dan hoort u dat van ons.
Bronnen: NEN 2535 · NEN 2575-4 · NEN-EN 54-25 · CCV-inspectieschema Brandbeveiliging · Geraadpleegd 8 november 2026.